Duurzaamheid als groeimotor
Duurzaamheid heeft het imago van een dure verplichting, extra regelgeving, investeringen, rapportering en administratieve lasten. Voor wie verder kijkt dan de initiële investering, kan duurzaamheid uitgroeien tot een hefboom voor innovatie, efficiëntie en groei.

Dat is de rode draad in de visie van Philip Dooms, partner ESG & Sustainability bij Baker Tilly, en architect Kjell Keymolen van Karibu Architecture. Vanuit hun eigen expertise komen ze tot dezelfde conclusie: duurzaamheid is geen kostenpost, maar een strategische oefening in waardecreatie. “Vrijwel geen enkele ondernemer is tegen duurzaamheid”, zegt Dooms. “De vraag is vooral hoe je die transitie economisch haalbaar maakt.”
Verder kijken dan de prijs
Voor Keymolen begint de uitdaging bij hoe je een (bouw)investering beoordeelt. Duurzaamheid vraagt een langetermijnblik, niet de korte-termijnkost van bijvoorbeeld materiaalaankoop. “We kijken naar de total cost of ownership”, zegt hij. “Niet enkel de aankoopwaarde, maar ook energieverbruik, onderhoud, herstelkosten en restwaarde. Dat bepaalt of iets duurzaam én economisch interessant is.”
Die filosofie past hij toe in projecten voor zowel particulieren, bedrijven als organisaties. “Duurzaamheid zit van bij de start in het project, op meerdere vlakken tegelijk: multifunctioneel ontwerpen dat afval vermijdt en hergebruik stimuleert en inzetten op omgevingsfactoren, oriëntatie, natuur, bio-ecologische materialen voor energie-efficiëntie die ook het welzijn van medewerkers ten goede komt.”
Minder rapportering, meer realiteit
Ook in de bedrijfswereld leeft de perceptie dat duurzaamheid vooral een complianceverhaal is. De voorbije jaren moesten duizenden ondernemingen zich voorbereiden op Europese duurzaamheidsrapportering onder de CSRD-regelgeving. “Voor veel bedrijven voelde dat als een administratieve tsunami”, zegt Dooms. “Het verzamelen van data, het opstellen van rapporten en de verplichte audits brachten aanzienlijke kosten met zich mee.” Met de recente Europese Omnibus-hervorming werd die verplichting sterk teruggeschroefd. Waar aanvankelijk ongeveer 2.500 Belgische ondernemingen onder de rapporteringsplicht vielen, blijven vandaag nog slechts een tweehonderdtal grote bedrijven over.
Maar volgens Dooms betekent dat niet dat duurzaamheid verdwijnt van de bedrijfsagenda. “De rapportering is grotendeels weggevallen, maar de onderliggende regelgeving blijft bestaan. Denk aan CO₂-heffingen, verpakkingswetgeving, afvalregels en strengere milieunormen. Bedrijven zullen zich moeten aanpassen, ongeacht of ze rapporteren of niet.” Ook Keymolen ziet regelgeving niet als een doel op zich. “De regels zijn uiteindelijk een antwoord op twee feiten: grondstoffen zijn eindig en klimaatverandering is reëel. De uitdaging is om die regelgeving niet als een straf te zien, maar als een hulpmiddel om de transitie beheersbaar te maken.”
Je moet letterlijk door een bedrijf wandelen om te zien waar de opportuniteiten liggen.Philip DoomsPartner ESG & Sustainability bij Baker Tilly
Circulariteit als businessmodel
Beide experts wijzen op de groeiende rol van circulariteit. Waar de klassieke economie gebaseerd is op produceren, gebruiken en weggooien, draait de circulaire economie om behoud van waarde. “Het lineaire model wordt op termijn gewoon te duur”, zegt Keymolen. “Elke grondstof die je vandaag verliest, moet je morgen opnieuw ontginnen. De essentie van circulariteit is net: ontwerpen vanuit behoud van waarde.”
Dooms ziet dezelfde logica terug in de bedrijfswereld. Vooral afvalstromen blijken vaak een onderschatte opportuniteit. “Veel ondernemingen focussen vooral op energieverbruik en hernieuwbare energie, terwijl er vaak ook aanzienlijke winst te halen valt uit afvalreductie en hergebruik. In sommige gevallen verandert een afvalkost zelfs in een inkomstenbron.”
Dat nuanceert een veelgehoorde bezorgdheid dat klanten niet bereid zouden zijn meer te betalen voor duurzame producten. Uit stakeholderonderzoeken die Baker Tilly uitvoerde bij ruim duizend respondenten blijkt dat ongeveer een derde van de consumenten niet bereid is extra te betalen voor duurzaamheid. Maar een meerderheid blijkt daar wel degelijk voor open te staan. “De betalingsbereidheid bestaat, op voorwaarde dat de duurzame meerwaarde aantoonbaar en geloofwaardig is”, zegt hij. “Dat creëert commerciële kansen voor bedrijven die duurzaamheid strategisch inzetten.” Daar ligt volgens hem een belangrijke uitdaging. Veel ondernemingen investeren wel in duurzaamheid, maar slagen er onvoldoende in die toegevoegde waarde te vertalen naar hun marktpositionering en prijszetting.
Kennis als versneller van groei
Voor beide experts wordt kennis de belangrijkste succesfactor van de komende jaren. Hoe beter bedrijven begrijpen welke impact materialen, energieverbruik en processen hebben op hun totale kostenstructuur, hoe sneller duurzame keuzes economisch rendabel worden. “Hoe meer kennis er is over duurzame materialen en oplossingen, hoe groter de vraag wordt”, zegt Keymolen. “Meer vraag leidt tot schaalvoordelen, lagere prijzen en een bredere toepassing.” Volgens Dooms geldt dezelfde logica voor ondernemingen. “Je moet letterlijk door een bedrijf wandelen om te zien waar de opportuniteiten liggen. Vaak zitten die dichter bij huis dan men denkt: energie, afvalstromen, logistiek of samenwerking met leveranciers.” Voor beide is de conclusie helder. De vraag is niet langer of duurzaamheid geld kost. De vraag is welke kosten bedrijven zullen dragen wanneer ze niet veranderen. •







