Ruimte voor de stad
Steden staan voor een dubbele uitdaging: ze moeten leefbaar blijven én bestand zijn tegen klimaatverandering, bevolkingsdruk en economische transitie. Dat vraagt geen losse ingrepen, maar een fundamenteel andere manier van plannen, bouwen en bewegen.
AI GeneratedDe stad als ecosysteem
Wat maakt een stad duurzaam? Volgens Johan Van Reeth, Chief Sustainability Officer bij Sweco, begint het antwoord bij een brede blik. “Een duurzame stad of een duurzaam dorp is in essentie een plek waar het goed is om te leven en waar dat ook op lange termijn gewaarborgd kan blijven.” Dat gaat volgens hem niet alleen over klimaat, maar evenzeer over inclusiviteit, gezondheid en economische veerkracht. Duurzaamheid vraagt dus een 360-graden-
perspectief.
Die samenhang wordt duidelijk als we kijken naar mobiliteit. Karen Vancluysen, secretaris-generaal van Polis, ziet een duidelijke omslag: “We moeten evolueren naar een stad voor mensen in plaats van een stad voor auto’s.” Decennialange autogerichte planning heeft volgens haar niet alleen veel ruimte opgeslokt, maar ook luchtvervuiling, lawaai, verkeersonveiligheid en congestie met zich meegebracht.
De oplossing ligt daarbij niet in één vervoersmiddel, maar in een geïntegreerd systeem. Openbaar vervoer vormt de ruggengraat, aangevuld met fietsen, wandelen en deelmobiliteit. Mobility hubs kunnen verschillende vervoerswijzen op buurtniveau samenbrengen. Maar technologie is nooit het doel op zich. “De smart city is voor mij niet een stad die op elke technologie springt die voorbijwaait”, zegt Vancluysen. “Ze moet nadenken over welke oplossingen helpen om haar ambities en doelstellingen te bereiken.” Ook autonome voertuigen illustreren die beleidskeuze. Zelfrijdende shuttles kunnen openbaar vervoer versterken, terwijl robottaxi’s net extra verkeer kunnen aantrekken. De vraag moet daarom vooraf zijn: welk probleem lost een technologie op?
Groen én nabijheid
De duurzame stad van morgen wordt niet alleen anders georganiseerd, maar ook anders gebouwd. Nieuwe wijken vragen volgens Van Reeth een mix van woningen, voorzieningen, groen, water en duurzame mobiliteit. Niet langer alles strikt zoneren, maar functies opnieuw verweven. Wie in een stad of dorpskern woont, moet essentiële voorzieningen op wandel- of fietsafstand kunnen bereiken.
Dat vraagt dan ook een andere kijk op wonen. In Vlaanderen bestaat 71 procent van het woningpatrimonium uit eengezinswoningen, terwijl twee op de drie gezinnen uit één of twee personen bestaan. “Ons woningpatrimonium is onvoldoende afgestemd op de huishoudens van vandaag”, stelt Van Reeth. Hij pleit voor een grondige vernieuwing richting kleinere, duurzame en comfortabele woningen in kernen, dicht bij voorzieningen.
Meer bouwen betekent daarbij niet automatisch hoger bouwen. Selectieve verdichting kan ruimte vrijmaken. Door binnengebieden van bouwblokken te ontpitten, ontstaat plaats voor groen, water en collectieve voorzieningen. Hoger bouwen kan die herontwikkeling financieel haalbaar maken.
Ook economie en duurzaamheid hoeven geen tegengestelden te zijn. Van Reeth wijst op het belang van lokale productie en consumptie. Als economische activiteiten dichter bij bewoners komen, kunnen werkgelegenheid, korte ketens en een circulaire economie elkaar versterken. Bij hergebruik van bouwmaterialen is transportafstand cruciaal: hoe dichter materialen bij de stad blijven, hoe groter de kans op een haalbaar circulair model.
We moeten evolueren naar een stad voor mensen in plaats van een stad voor auto’sKaren VancluysenSecretaris-generaal van Polis
AI GeneratedDe wijk als hefboom
De grootste uitdaging ligt volgens Van Reeth vandaag in collectieve wijkrenovatie. Ons gebouwenpatrimonium moet dringend fossielvrij gemaakt worden. Versnipperd eigenaarschap maakt grote energieprojecten in België moeilijk, maar een wijkgerichte aanpak kan renovatie, energie, klimaatadaptatie en mobiliteit verbinden. “Als je de straat moet openleggen voor je warmtenet, is dat het moment om daar ineens ook voldoende groen te voorzien en duurzame mobiliteit te faciliteren.” Zo ontstaat een nieuwe logica: niet huis per huis of probleem per probleem werken, maar hele buurten transformeren. Overheden kunnen processen ondersteunen, vergunningen versnellen en ingrepen in het openbaar domein koppelen aan private initiatieven.
Daarbij wordt klimaatadaptatie steeds urgenter. De hittegolven van de voorbije zomers maken duidelijk dat groen, ontharding en waterbeheer basisinfrastructuur zijn. “We moeten vandaag de bomen planten die we binnen tien jaar nodig hebben om de verkoeling in onze steden te hebben”, zegt Van Reeth.
Ook sociale cohesie hoort thuis in dat verhaal. Sterke buurten en dorpskernen bieden niet alleen woningen, maar ook ontmoeting en voorzieningen. Duurzame steden en dorpen vragen volgens Van Reeth een integrale benadering, met veel aandacht voor inclusiviteit en sociale cohesie. De return is groot, denk maar aan ouderen die langer zelfstandig kunnen blijven wonen.
De kern van de duurzame stad is daarmee uiteindelijk geen spectaculaire technologie, maar een andere aanpak van onze ruimte, meer nabijheid en samenwerking. Vancluysen vat haar prioriteit scherp samen: “De herverdeling van de openbare ruimte, daar begint en eindigt volgens mij alles mee. Minder ruimte voor stilstaande auto’s, meer plaats voor groen, voetgangers, fietsers, ontmoeting en collectieve voorzieningen: het is tegelijk een mobiliteitskeuze, een klimaatmaatregel en een investering in levenskwaliteit.”
Dat vraagt politieke moed, langetermijnvisie en samenwerking tussen overheden, burgers en private spelers. De transitie zal niet overal even snel of zonder weerstand verlopen. Maar wie vandaag durft te investeren in een stad die mensen ruimte geeft, klimaatbestendig is en haar voorzieningen dichtbij houdt, bouwt niet alleen aan duurzaamheid, maar vooral aan een stad waarin mensen ook morgen graag willen wonen, werken en samenleven. De duurzame stad is uiteindelijk een keuze over welke levenskwaliteit we voor de toekomst willen veiligstellen. •







