Van bedrijfswagenbeleid naar mobiliteitsbeleid
De bedrijfswagen blijft een belangrijke pijler van het Belgische loonpakket, maar mobiliteit wordt steeds diverser. Met het mobiliteitsbudget krijgen werknemers meer keuze en werkgevers een nieuwe hefboom voor hun HR-beleid.

De manier waarop werknemers zich verplaatsen, is de voorbije jaren sterk veranderd. Thuiswerk, hybride werken, openbaar vervoer, fietsen en elektrische mobiliteit hebben het klassieke woon-werkpatroon complexer gemaakt. Tegelijk blijft de bedrijfswagen een belangrijke troef op de Belgische arbeidsmarkt. Het mobiliteitsbudget probeert beide realiteiten met elkaar te verzoenen: niet één mobiliteitsoplossing voor iedereen, maar meer keuze binnen een duidelijk kader.
Dat kader staat bovendien voor een belangrijke verandering. Volgens het huidige voorontwerp van wet zullen bepaalde werkgevers vanaf 2027 verplicht worden om een mobiliteitsbudget aan te bieden aan werknemers die daarvoor in aanmerking komen. De precieze regelgeving is nog niet definitief, maar voor werkgevers is de richting duidelijk: mobiliteit wordt steeds meer een onderdeel van het bredere HR-beleid.
Meer keuze voor werknemers
Het mobiliteitsbudget werd in 2019 ingevoerd als alternatief voor de klassieke bedrijfswagen. Werknemers die een bedrijfswagen hebben of er op basis van hun functie recht op hebben, kunnen hun wagen inruilen voor een budget dat ze binnen het wettelijke kader op verschillende manieren kunnen besteden.
Het systeem bestaat uit drie pijlers. De eerste omvat een milieuvriendelijke bedrijfswagen, waarbij het volgens de huidige regels vanaf 2026 om een wagen zonder CO₂-uitstoot gaat. De tweede pijler biedt ruimte voor duurzame vervoersmiddelen en bepaalde huisvestingskosten. Wat daarna overblijft, kan onder voorwaarden als cash worden uitbetaald via de derde pijler.
Die keuzevrijheid sluit aan bij een arbeidsmarkt waarin werknemers steeds verschillende mobiliteitsnoden hebben. Wie dagelijks lange afstanden aflegt voor het werk, heeft andere behoeften dan iemand die vooral thuiswerkt en dicht bij een station woont. Een mobiliteitsbeleid dat daarmee rekening houdt, kan dus verder gaan dan de vraag welke wagen iemand krijgt.
Het gaat bovendien niet noodzakelijk om een keuze tussen de bedrijfswagen en alternatieve vervoersmiddelen. Een werknemer kan verschillende vormen van mobiliteit combineren. Zo ontstaat een mobiliteitsmix die beter kan aansluiten bij de manier waarop iemand vandaag daadwerkelijk werkt en zich verplaatst.
Van regelgeving naar beleid
De geplande wijzigingen maken van mobiliteit tegelijk een beleidskwestie. Volgens het huidige voorontwerp zouden werkgevers die gedurende meer dan 36 maanden een of meerdere bedrijfswagens ter beschikking stellen, het mobiliteitsbudget moeten aanbieden aan werknemers die aan de voorwaarden voldoen. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2027. Voor bepaalde kleinere ondernemingen zijn uitzonderingen en overgangsregels voorzien.
Een belangrijke nuance: het gaat vandaag nog om een voorontwerp. Werkgevers moeten de definitieve wetgeving dus afwachten vooraleer ze alle details juridisch kunnen vastleggen. Maar wachten op de laatste definitieve formulering hoeft niet te betekenen dat er intussen niets kan gebeuren. Integendeel. Een goede voorbereiding begint met het bestaande mobiliteitsbeleid onder de loep te nemen. Welke werknemers beschikken vandaag over een bedrijfswagen? Wie heeft daar recht op? Welke kosten zijn eraan verbonden? En welke alternatieven bestaan er al binnen de organisatie?
Ook de berekening van het mobiliteitsbudget verdient aandacht. Het budget is gebaseerd op de totale werkgeverskost van de bedrijfswagen, de zogenaamde Total Cost of Ownership of TCO. Daarbij gaat het om meer dan de maandelijkse leaseprijs: ook onder meer brandstof, verzekering, fiscale en parafiscale lasten en andere kosten kunnen een rol spelen.
Voor HR, fleet- en mobilitymanagers betekent dat een mobiliteitsbudget dus meer dan een administratieve aanpassing. Het raakt aan payroll, fiscaliteit, fleetbeleid, communicatie en employee experience.
Mobiliteit als strategische HR-keuze
Uiteindelijk staat of valt het systeem met de werknemer. Een budget kan op papier flexibel zijn, maar heeft pas waarde wanneer medewerkers begrijpen welke mogelijkheden ze hebben en wat die concreet betekenen voor hun persoonlijke situatie.
Dat vraagt om duidelijke communicatie én om inzicht in verschillende werknemersprofielen. De federale enquête woon-werkverkeer 2024-2025 toont dat het mobiliteitsbudget vandaag nog niet overal ingeburgerd is: 13 procent van de bevraagde vestigingen bood het aan, goed voor 17 procent van de werknemers. Die cijfers illustreren tegelijk dat er nog een weg te gaan is. Werkgevers kunnen de komende periode gebruiken om niet alleen de wettelijke verplichtingen, maar ook de behoeften van hun medewerkers in kaart te brengen. Welke vervoersmiddelen worden vandaag gebruikt? Waar zitten knelpunten? Welke werknemers hechten belang aan een wagen en wie heeft meer baat bij andere vormen van mobiliteit?
Daarmee verschuift de discussie van “Hoe voldoen we aan de nieuwe regels?” naar “Hoe willen we mobiliteit binnen onze organisatie organiseren?” Dat is een belangrijk verschil. Mobiliteit kan immers ook bijdragen aan employer branding, retentie en de bredere employee experience.
De bedrijfswagen zal daarbij niet van de ene dag op de andere verdwijnen. Wel wordt het mobiliteitsbeleid minder uniform. De werkgever bepaalt het kader, maar de werknemer krijgt meer ruimte om binnen dat kader keuzes te maken.
Voor organisaties ligt daar een interessante opportuniteit. Door mobiliteit niet langer uitsluitend als een fleetvraagstuk te bekijken, maar als onderdeel van hun totale HR-strategie, kunnen ze een beleid uitbouwen dat beter aansluit bij een veranderende arbeidsmarkt. Van bedrijfswagen naar mobiliteitsmix dus: niet minder keuze voor de werkgever, maar meer mogelijkheden om mobiliteit gericht in te zetten als onderdeel van modern werkgeverschap.






